Gepubliceerd op woensdag 9 maart 2016
LS&R 1279
Rechtbank Den Haag ||
9 mrt 2016
Rechtbank Den Haag 9 mrt 2016, LS&R 1279; ECLI:NL:RBDHA:2016:2124 (Nesteq tegen Staat), https://lsenr.nl/artikelen/betalen-voor-octrooiverlening-is-onverschuldigd-taxe-niet-alsnog-tijdig-betaald

Uitspraak ingezonden door Sikke Kingma, Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn.

Betalen voor octrooiverlening is onverschuldigd, taxe niet alsnog tijdig betaald

Rechtbank Den Haag 9 maart 2016, IEF 15745; ECLI:NL:RBDHA:2016:2124 (Nesteq tegen Staat)
Octrooirecht. Octrooi van rechtswege vervallen door het niet tijdig betalen van de jaartaks. Geen correctie van het octrooiregister. Betaling vóór de publicatie van de verlening van het octrooi is onverschuldigd; terugbetaling werd niet goed geregistreerd door de octrooihouder, waarna de taxe niet alsnog tijdig is betaald, en het octrooi is vervallen..

4.10. Uit het voorgaande volgt dat de betaling van 10 mei 2012 onverschuldigd is gedaan. Dit brengt mee dat op het moment van die betaling voor Nestec een recht van terugvordering is ontstaan en voor OCNL een verbintenis tot teruggave van het betaalde bedrag (zie Hoge Raad 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3678). Dat wordt niet anders door de enkele (onbetwiste) omstandigheid dat OCNL op de dag van publicatie van de vermelding van de verlening van het octrooi nog niet tot teruggave was overgegaan. De onverschuldigde betaling van 10 mei 2012 is daardoor niet alsnog verschuldigd geworden. Het standpunt van Nestec dat er rechtsgeldig is betaald vanwege het enkele feit dat OCNL de betaling op 16 mei 2012 nog onder zich had, is reeds daarom niet houdbaar.

4.11. Ter zitting heeft Nestec met een beroep op (analogische) toepassing van artikel 6:25 Burgerlijk Wetboek (BW) nog betoogd dat de betaling van 10 mei 2012 vanaf 16 mei 2012 niet meer als onverschuldigd kon worden teruggevorderd - en mitsdien niet meer mocht worden gerestitueerd - omdat met de verleningsbeslissing van EP 310 op 19 april 2012 een voorwaardelijke verbintenis tot betaling van de jaartaks is ontstaan, namelijk onder de opschortende, per 16 mei 2012 vervulde, voorwaarde dat EP 310 (in Nederland) rechtsgevolg zou verkrijgen. Hierdoor is de betaling van 10 mei 2012 volgens Nestec op 16 mei 2012 een rechtsgeldige betaling van de jaartaks geworden.

4.13. Nestec heeft ten slotte betoogd dat OCNL de op 10 mei 2012 door haar systeem niet als verschuldigd herkende jaartaks niet zonder nader onderzoek had mogen restitueren, in aanmerking genomen dat bij de betaling alle benodigde gegevens waren vermeld en het voor OCNL zeer goed mogelijk was op basis daarvan met summier onderzoek de betaling (alsnog) aan EP 310 te koppelen, nu de verleningsbeslissing al was genomen en publicatie van de verlening was aangekondigd. Door dit onderzoek achterwege te laten als gevolg waarvan op 16 mei 2012 (in het verwerkingsverslag) foutief is meegedeeld dat er niet betaald kon worden en het betaalde bedrag is teruggestort, heeft OCNL in strijd met het in artikel 3:1 lid 2 jo. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel – en daarmee onrechtmatig – jegens Nestec gehandeld en moet de jaartaks geacht worden rechtsgeldig te zijn betaald, aldus Nestec.

4.14. Ook dit betoog slaagt niet. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat voor de betaling van een jaartaks voor EP 310 op 10 mei 2012 geen rechtsgrond bestond en dat dientengevolge een verbintenis tot terugbetaling op OCNL rustte. Voor het oordeel dat hierin op of na 16 mei 2012 verandering is gekomen bestaat geen grond. OCNL was derhalve niet gehouden de betaling van 10 mei 2012 als betaling van de jaartaks voor de instandhouding van EP 310 aan te merken, dan wel ten behoeve daarvan nader onderzoek te doen alvorens hij het verwerkingsverslag - waarvan de inhoud gezien de rapportagedatum (10 mei 2012) niet als foutief kan worden aangemerkt - verzond en tot restitutie overging. De door Nestec in dit verband gemaakte vergelijkingen met jurisprudentie over de betaling van een belastingschuld, de betaling van griffierecht en zekerheidstelling voor een administratieve boete, gaan niet op. In de aangehaalde zaken was immers steeds sprake van verschuldigde betalingen, zoals de Staat onbetwist heeft aangevoerd. Anders dan in die zaken, is hier dan ook niet de situatie aan de orde dat een (verschuldigde) betaling is geweigerd omdat het doel daarvan niet (aanstonds) duidelijk was, maar is de betaling geweigerd omdat deze voor dat doel niet verschuldigd was. Dit laatste is in het aan CPA gezonden verwerkingsverslag ook meegedeeld. OCNL heeft gelet op het voorgaande niet onrechtmatig gehandeld