Gepubliceerd op donderdag 28 april 2016
LS&R 1304
Hof Den Haag ||
26 apr 2016
Hof Den Haag 26 apr 2016, LS&R 1304; ECLI:NL:GHDHA:2016:1063 (Olaopa tegen BP Raffinaderij), https://lsenr.nl/artikelen/licentieovereenkomst-geoctrooieerd-proces-afwaterzuivering-afhankelijk-van-positief-testresultaat

Licentieovereenkomst geoctrooieerd proces afwaterzuivering afhankelijk van positief testresultaat

Hof Den Haag 26 april 2016, IEF 15910; LS&R 1304; ECLI:NL:GHDHA:2016:1063 (Olaopa tegen BP Raffinaderij)
Contractenrecht. Octrooirecht. Eiser heeft Geoctrooieerd proces voor zuivering van afvalwater van olieraffinaderij (Biological nutritient removal using ‘the Olaopa Process’ - EP 1 196 354 B1. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank die de vorderingen heeft afgewezen. Tussen X en BP is wel een licentieovereenkomst tot stand gekomen is, deze voorwaardelijk was aan het welslagen van de test, waarbij niet is komen vast te staan dat deze voorwaarde is vervuld. De vorderingen op basis van de precontractuele aansprakelijkheid worden afgewezen, de vorderingen kunnen niet worden toegewezen gelet op het (niet aan BP te wijten) mislukken van de test. Het hof bekrachtigt het vonnis.

1. Is een licentieovereenkomst tot stand gekomen?
18. De incidentele grief slaagt dus. De bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd; de (op overeenkomst gebaseerde) vorderingen van [X] kunnen niet worden toegewezen.

19. Vordering I onder f strekt tot verklaring voor recht dat het onrechtmatig was op 10 september 2007 onder de licentie vallende informatie op te vragen bij [X] en om (relevante delen van de) patentinformatie te delen met derden zoals met […] althans […] en BRCC Consultants althans […].
Voor zover de gestelde onrechtmatigheid is gebaseerd op schending van de geheimhoudingsovereenkomst is de Nederlandse rechter onbevoegd om van de vordering kennis te nemen gelet op de forumkeuze voor de Engelse rechter. [X] heeft schending van de geheimhoudingsovereenkomst bovendien geëcarteerd uit het onderhavige geschil (memorie van grieven onder 7).
Voor zover de gestelde onrechtmatigheid niet is gebaseerd op schending van de geheimhoudingsovereenkomst, heeft [X] onvoldoende onderbouwd waarom het onrechtmatig was om op 10 september 2007 de testresultaten op te vragen; voor de motivering verwijst het hof naar overweging 27; BP heeft bovendien onbetwist gesteld dat zij alleen om de testresultaten in algemene zin heeft gevraagd en dat [X] vrijwillig alle informatie heeft verstrekt. BP heeft in de conclusie van antwoord voorts gemotiveerd uiteengezet waarom zij deze informatie mocht delen met de genoemde adviseurs. [X] is daar niet meer (gemotiveerd) op ingegaan. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, heeft [X] deze vordering onvoldoende onderbouwd en moet zij worden afgewezen.

2 Indien een licentieovereenkomst moet worden aangenomen

22. Onderzocht dient dus te worden (i) of de licentieovereenkomst onder een opschortende voorwaarde tot stand gekomen is, en, indien dat het geval is, (ii) wat de inhoud van die voorwaarde is, en (iii) of zij vervuld is of geacht moet worden vervuld te zijn.
(i) Bestaan van een opschortende voorwaarde
28. Uit het bovenstaande volgt dat – voor zover partijen een licentieovereenkomst zijn aangegaan – BP de aanwezigheid van (en ook de overeenstemming over) de voorwaarde van een succesvolle test naar het oordeel van het hof voldoende heeft gesteld en bewezen, terwijl [X] niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de licentieovereenkomst c.q. de verbintenissen waarvan hij in casu nakoming vordert, onvoorwaardelijk was. [X] heeft ter zake geen (voldoende) gespecificeerd aanbod tot getuigenbewijs gedaan. Aangenomen moet dus worden dat de (door [X] gestelde) overeenkomst voorwaardelijk was aan een succesvolle test. De door BP gestelde voorwaarde is een opschortende voorwaarde; dit sluit aan bij de uitleg die partijen over ene weer aan de voorwaarde geven, zoals de rechtbank overwoog (overweging 5.17 van het vonnis van 18 december 2013).

(ii) Inhoud van de opschortende voorwaarde; doel, opzet, criteria van de test
37. Uit de desbetreffende correspondentie, in de periode september 2005 tot en met december 2006, blijkt inderdaad dat BP meermaals uitdrukkelijk hiervoor heeft gewaarschuwd, zelfs uitmondend in de vraag in een e-mail van 14 december 2006 of het, gelet op de mogelijkheid van overbelasting, wel zin heeft om de test door te laten gaan (“Does this mean the end of trial?”). [X] heeft zich echter in reactie steeds optimistisch getoond. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat een maximum aanvoer van 300 m3/h, beschreven in de Hardware description, is overeengekomen en/of dat [X] er op mocht vertrouwen dat die aanvoer niet zou worden overschreden. Dat vindt bovendien bevestiging in het feit dat in de licentieovereenkomst – er van uitgaande dat deze voorwaardelijk tot stand gekomen was – een gemiddelde doorstroom van 600 m3/h was overeengekomen (overweging 2.19-2.24). Deze aanvoer zou de installatie onder de licentie in de real-life situatie dus moeten aankunnen.

37. Tezamen genomen is dus niet komen vast te staan dat, zoals [X] stelt, binnen bepaalde, in de Hardware description omschreven randvoorwaarden zou worden getest of met het [X] Proces zou worden voldaan aan de lozingslimieten. Aangenomen moet daarentegen worden dat een real-life test zou worden gedaan, onder normale operationele omstandigheden, waarbij het aan BP was om – binnen de grenzen der redelijkheid – te beoordelen of zij het [X] Proces daadwerkelijk in licentie wilde nemen.

(iii) Vervulling van de opschortende voorwaarde
47. Uit het voorgaande volgt dat voor zover zou moeten worden aangenomen dat tussen [X] en BP wel een licentieovereenkomst tot stand gekomen is, deze voorwaardelijk was aan het welslagen van de test, waarbij niet is komen vast te staan dat deze voorwaarde is vervuld.
Uit het voorgaande volgt ook dat, voor zover [X] zijn vorderingen zou hebben gebaseerd op precontractuele aansprakelijkheid, deze vorderingen niet kunnen worden toegewezen gelet op het (niet aan BP te wijten) mislukken van de test; ook dan faalt zijn hoger beroep.