DOSSIERS
Alle dossiers
Gepubliceerd op donderdag 22 juni 2023
LS&R 2189
||
21 jun 2023
21 jun 2023, LS&R 2189; ECLI:EU:T:2023:345 (Loulia and Irene Tseti Pharmaceutical Laboratories/EUIPO), https://lsenr.nl/artikelen/gerecht-eu-eva-en-evax-moeten-opnieuw-beoordeeld

Gerecht EU: Eva en Evax moeten opnieuw beoordeeld

Gerecht EU 21 juni 2023, IEF 21504; ECLI:EU:T:2023:345 (Loulia and Irene Tseti Pharmaceutical Laboratories/EUIPO) In deze zaak verzoekt Ioulia and Irene Tseti Pharmaceutical Laboratories (hierna: verzoeker) om een beslissing van het EUIPO te laten vernietigen. De beslissing van het EUIPO was om twee verzoeken ter registratie van merken af te wijzen, omdat het inbreuk zou maken op een merk van Arbora & Ausionia (hierna: de voegende partij), die zich in het voorliggende geschil hebben gevoegd. Het EUIPO besloot in de beslissing die ter vernietiging voorligt dat de merken die verzoeker wilde laten registreren een verwarringsgevaar opleverde ten aanzien van het merk van de voegende partij. Verzoekers vragen het Gerecht om de beslissing van het EUIPO te doen vernietigen.

De reden dat het EUIPO het merk van verzoeker afwees, was vanwege de grote auditivieve en visuele overeenkomst tussen de merken. Voegende partij heeft het oudere woordmerk 'Evax', verzoeker wilde het merk 'Eva' registreren. Beide partijen houden zich bezig met het ontwikkelen en verkopen van tampons en hebben hetzelfde relevante publiek, waardoor volgens het EUIPO verwarringsgevaar ontstond. Verzoeker stelt dat het EUIPO echter ten onrechte niet goed heeft gekeken naar de globale indrukken van de verschillende merken, die volgens verzoeker genoeg verschillen om verwarringsgevaar tegen te gaan. 

Het Gerecht komt tot de conclusie dat de merken auditief en visueel een mate van gelijkenis vertonen. Waar het afwijkt van de beslissing van het EUIPO is echter in de conceptuele overeenkomst tussen de twee merken. 'Evax' wordt geacht een 'fanciful name' te zijn, terwijl 'Eva' een connectie met de eerste (Bijbelse) vrouw oproept. Met deze nieuwe waardering van de twee woordmerken bezint het Gerecht zich opnieuw op het verwarringsgevaar. Daarbij komt het tot de conclusie dat het EUIPO verkeerd heeft gehandeld door alleen de dominante elementen van de litigieuze merken met elkaar te vergelijken. De vergelijking die gemaakt had moeten worden had meer rekening moeten houden met de bijkomende elementen van de merken. Daarmee vindt het Gerecht een gerede grond om de beslissing van EUIPO deels te vernietigen waar het gaat om de klassen in welke de waren en diensten niet volledig overeenstemmen. 

34 The global assessment of the likelihood of confusion must, so far as concerns the visual, phonetic or conceptual similarity of the signs at issue, be based on the overall impression given by the signs, bearing in mind, in particular, their distinctive and dominant elements. The perception of the marks by the average consumer of the goods or services in question plays a decisive role in the global assessment of that likelihood of confusion. In this regard, the average consumer normally perceives a mark as a whole and does not engage in an analysis of its various details (see judgment of 12 June 2007, OHIM v Shaker, C‑334/05 P, EU:C:2007:333, paragraph 35 and the case-law cited).

77 According to the Board of Appeal, for the part of the public which makes a connection between the word ‘eva’ and the first woman on Earth (according to the Bible), that word is not similar to the sign EVAX. By contrast, for the part of the public which understands the word ‘eva’ merely as one female first name among others, the comparison with the sign EVAX remains neutral. 

98 As was held in the contested decisions without being convincingly challenged by the applicant, the relevant public does not understand the word ‘eva’ in a clear and uniform manner. While one part of the public understands it as a common female first name in the same way as other female first names, another part of the public understands it as alluding to the first woman on Earth (according to the Bible). 

109 In accordance with the case-law referred to in paragraph 35 above, for the purposes of the comparison of the marks at issue, each must be considered as a whole and it is only if all the other components of a mark are negligible that the assessment of the similarity can be carried out solely on the basis of the dominant element. 

110 By relying on the ‘most distinctive elements’ of the marks at issue, the Board of Appeal therefore, contrary to the case-law, failed to consider those marks as a whole.